Musea en collecties

Deze zoekhulp geeft je een overzicht van de verschillende musea in Nederland die etnografische collecties beheren en biedt een bondig inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de verschillende verzamelingen.

Etnografische collecties in Nederland

Om een goed overzicht van de etnografische musea in Nederland te geven, is het van belang kort stil te staan bij wat er precies wordt verstaan onder zo'n museum. De eerste officiële volkenkundige musea ontstonden in Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw. Net als in andere Europese landen, werden vorstelijke rariteitenkabinetten in die tijd omgevormd tot openbare musea. Ook gingen musea zich in deze tijd specialiseren en zich op op één vakgebied toeleggen. Zo ontstond bijvoorbeeld in 1820 het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie en in 1837 het Rijks Etnographisch Museum, beiden in de Zuid-Hollandse stad Leiden.

Philip Franz von Siebold, een van de grondleggers van het volkenkundig museum in Leiden omschreef het doel van een etnografisch museum in 1837 als volgt in een brief aan toenmalig koning Willem I:

'Onder een ethnographisch museum, verstaan wij eene wetenschappelijk gerangschikte verzameling van voorwerpen uit de verschillende landen - hier vooral buiten-Europesche - die, zoo wel op zich zelve als in verband gebragt, ons nader bekend maken met de volken welke zij toebehoren; die ons hunnen godsdienst, zeden en gebruiken voor oogen stellen, ons een duidelijk denkbeeld geven van den toestand hunner kunsten en wetenschappen, van hunne landhuishouding, hunnen handwerken en kunstvlijt en hunnen handel.'

Met de toenemende wetenschappelijk interesse in de culturen, religies en gebruiken van bewoners van Europese koloniën, werden in Nederland - en in de rest van Europa - grote volkenkundige collecties aangelegd. Naast het Rijks Etnographisch Museum, werd in 1864 het Koloniaal Museum in Haarlem opgericht en opende in 1885 het Museum voor Land- en Volkenkunde in Rotterdam. De komst van objecten afkomstig uit gekoloniseerde gebieden naar Nederland werd gedurende de twintigste eeuw voortgezet. Vaak waren het militairen, ambtenaren of missionarissen die objecten meebrachten van hun verblijf in een gekoloniseerd gebied. De periode na de Tweede Wereldoorlog, die wereldwijd in het teken stond van dekolonisatie, zorgde voor een sterke afname in de komst van objecten naar Nederlandse musea.

De afgelopen jaren, in samenhang met de toenemende aandacht voor de restitutie van koloniale collecties, hebben verschillende voormalige etnografische musea verspreid over Europa hun naam veranderd naar meer algemene termen zoals 'museum van wereldculturen' of 'wereldmuseum'. Reden hiervoor is de koloniale connotatie van de woorden 'volkenkunde' of 'etnografie', die vaak als deel worden gezien van een verouderde koloniale visie op 'andere' volken.

Een kunstmatige scheiding

Hoewel er in de negentiende eeuw in Nederland steeds meer musea ontstonden die zich specialiseerden in een bepaald verzamelgebied, is het belangrijk om je ervan bewust te zijn dat dit een kunstmatige scheiding van verzamelingen was. Verschillende verzamelaars, zoals de eerder genoemde Philip Franz von Siebold, schonken bijvoorbeeld objecten zowel aan het Etnographisch Museum als aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Zo kom je in de archieven van verschillende Nederlandse musea veelal dezelfde namen tegen. Ook werden collecties veelvuldig tussen de musea verplaatst naar wat volgens de inzichten van die tijd de meest geschikte plek was. Dit zien we bijvoorbeeld in de donatie van een grote groep van 'Javaanse oudheden' van het Rijksmuseum van Oudheden naar het Rijks Etnografisch Museum in 1903.

Ook zijn er verschillende musea in Nederland die verzamelden met een specifiek doel. Denk hier bijvoorbeeld aan het museum van de officiersopleiding in Kampen, die een collectie samenstelde waarmee de opleiding tot KNIL-officier werd ondersteund. Of aan collecties die missionarissen mee naar Nederland namen, zoals in het geval van Missiemuseum Steyl. Deze collecties waren vaak een samenvoeging van volkenkundige, natuurhistorische- en andersoortige voorwerpen. Dat heeft erin geresulteerd dat, terwijl de grootste verzameling volkenkundige objecten zich in de collectie van het Wereldmuseum bevindt, er nog vele andere (kleinere) musea zijn die ook etnografische collecties beheren.

Vaak kun je aan de hand van de aard van het museum bepalen via welke weg objecten naar Nederland zijn gekomen. Binnen de zoekhulpen op deze website hebben we deze onderverdeeld in vijf thema's:

Hoewel deze thematische onderverdeling een goed overzicht geeft over de manieren waarop objecten afkomstig uit voormalig gekoloniseerde gebieden in Nederlandse musea terecht zijn gekomen, is deze niet uitputtend. Het kan natuurlijk voorkomen dat een bestuursambtenaar die actief was in voormalig Nederlands-Indië verschillende objecten eerst aan een handelaar heeft verkocht en dat het via de handelaar door een Nederlands museum is aangekocht.